Logo Universiteit Utrecht

YOUth

Interviews met onderzoekers

Jeugdonderzoeker Anika van der Klis over haar onderzoek naar taalontwikkeling bij YOUth

Anika van der Klis is een van de onderzoekers die promoveert bij YOUth. Dat betekent dat zij data, die via YOUth verzameld worden, gebruikt voor haar promotieonderzoek. Maar wat onderzoek je met YOUth-data en hoe gebruik je die data precies? We vragen het dit keer aan Anika. Zij promoveert op het onderwerp taalontwikkeling bij de faculteit Geesteswetenschappen.

Anika over YOUth: “Ik ben als taalwetenschapper op dit project gekomen, het leuke aan YOUth is dat ik mag samenwerken met veel verschillende mensen. Hele andere disciplines, maar je leert ontzettend veel van elkaar.” YOUth is een zogenaamd multidisciplinair onderzoek. Dat betekent dat wetenschappers met verschillende expertises, elk vanuit hun eigen vakgebied, naar de ontwikkeling van kinderen kijken.

Dit is een koe

Binnen haar expertise taalontwikkeling, doet Anika onderzoek naar de woordenschat bij kinderen. Het is bekend, dat kinderen waarvan ouders veel gebaren gebruiken terwijl ze spreken, een grotere woordenschat hebben. Als vader of moeder tijdens het voorlezen bijvoorbeeld een plaatje aanwijst – ‘dit is een koe’ – dan kan dat handgebaar net even dat extra klikje maken bij het kind. Anika wil onderzoeken waarom die gebaren een positief effect hebben op de woordenschat van een kind.

Ouder-kind interactie

Voor haar onderzoek gebruikt Anika de gegevens van de ouder-kind interactie van de baby’s van 5 en 10 maanden. “Ik kijk niet alleen naar hoe ouders hun stem gebruiken tijdens het spelen en voorlezen. Communiceren gebeurt niet alleen met spraak, het hele lichaam doet mee. Ik wil kijken naar de rol van bijvoorbeeld gezichtsuitdrukkingen, oogcontact en handgebaren. De baby’s komen met 3 jaar weer terug en maken dan taaltesten. Zo kan ik zien hoe groot de woordenschat van het kind is.” De vraag die Anika probeert te beantwoorden is: heeft de lichaamstaal van ouders een voorspellende waarde op de woordenschat op latere leeftijd, en verschillen ouders onderling in het gebruik van hun lichaam tijdens communicatie?

Onmogelijke klus

In een eerder interview met jeugdonderzoeker Marissa Hofstee was te lezen dat de video’s van de ouder-kind interactie gedecodeerd worden; bepaalde handelingen worden dan geteld. Maar met 3.000 deelnemers is dat handmatig niet te doen voor Anika alleen. Daarom zocht zij contact met mensen van informatica. Samen bedenken zij, hoe zij dit proces kunnen automatiseren. “Ik vind het zo gaaf om al die data te kunnen gebruiken, maar het is onmogelijk om dat met de hand te verwerken. We hopen het zo te automatiseren dat de computer handgebaren van ouders kan herkennen en registreren. Ook werken we aan automatische spraakherkenning, zodat ik straks allemaal stukken tekst heb met alles wat ouders tegen hun kind hebben gezegd.”

Anika wil zelfs een stap verder gaan met automatiseren: ze hoopt dat de computer interactie tussen ouder en kind kan vastleggen. Bijvoorbeeld het moment dat een kind aandacht zoekt van de ouder. “Ik wil weten welk gebaar het meest effect heeft; dus welk gebaar zorgt er voor dat een ouder reageert? En maakt het uit of de ouder hierop reageert met spraak of alleen een glimlach? Bekend is dat interactie tussen ouder en kind een positief effect heeft op de taalverwerving, maar we weten niet welke kleine dingen in die interactie, zorgen voor dit positieve effect.”

Het is niet moeilijk

De inzichten die onderzoekers op doen via YOUth, maken de kennis over taalontwikkeling weer een beetje completer. “We hopen ouders straks beter advies te kunnen geven, zodat zij zelf de taalontwikkeling van hun kind kunnen stimuleren.” Dit is met name interessant in situaties, waarin hulpverleners van te voren al verwachten dat een kind zal opgroeien met een taalachterstand. “Het hoeft niet ingewikkeld te zijn: alle interactie heeft naar alle waarschijnlijkheid een positief effect.”

Verrijking van de data

Zoals alle promovendi van YOUth, begeleidt ook Anika deelnemers tijdens hun onderzoeksdag. “Ik vind het leuk! Als onderzoeker ben ik vooral theoretisch bezig. Maar als je zelf een meting doet en je kijkt er live naar, dan raak ik daar erg door geïnspireerd. Er vallen me anderen dingen op, doordat je ze direct ziet. Dingen waar je niet snel aan denkt, als je alleen maar achter je bureau met de data werkt. Het helpt mij bij het maken van analyses. Ik heb beter inzicht in de data; ik snap beter waarom ouders bepaalde dingen doen. Het is echt een verrijking van de data.”

Onvoorspelbare baby’s

Door zelf te meten, weten Anika ook dat onderzoek doen bij baby’s best lastig is. “Baby’s zijn onvoorspelbaar. Je weet nooit helemaal hoe een baby reageert. Heeft een baby z’n dag niet, dan is het enige wat helpt rustig en vriendelijk te blijven. Maar het is uiteindelijk de baby die bepaalt of het iets wel of niet doet”, vertelt Anika lachend. “Soms zou je willen dat je ze iets kan uitleggen; dat het geen pijn doet en dat het leuk is.” Anika’s tip voor ouders is dan ook om rustig te blijven. “Ik kan me voorstellen dat ouders graag willen dat alles goed gaat. Als het allemaal niet lukt, dan moeten ouders daar vooral geen stress van hebben. Het is niet erg als het niet allemaal perfect gaat. Dat hoort er bij, als je baby’s onderzoekt.”